|
Paradijselijk Rijsbergen van Sempronius |
|
|
|
|
Geschreven door (Bron): BN/De Stem, 18 november 2006
|
Paradijselijk Rijsbergen van Sempronius
De spectaculaire archeologische vondsten spreken boekdelen. Scherven aardenwerk, spijkers, munten en een bronzen bijl tonen aan dat al ver voor het jaar nul sprake was van een beschaving in Rijsbergen. Eén van die vroege inwoners was Sempronius, een Romeinse krijgsman, zo wil een verhaal uit 1928 ons doen geloven. Het verhaal is te lezen in het tijdschrift Vaderland dat op 17 juni 1928 is uitgegeven. De auteur van het geromantiseerde artikel is onbekend. De scribent beschrijft de barre tocht die Sempronius naar verwachting honderd jaar voor Christus te paard maakte door de heidevelden en de moerassen in Taxandria, zeg maar de huidige Kempen. De krijgsman werd vergezeld door Elhaire die voor het eerst met hem meereisde. Op een beste dag zei Sempronius tegen zijn reisgenoot dat het einde van hun tocht naderde. De reden van deze mededeling blijft helaas onduidelijk. De mannen gingen vervolgens via de westelijke oevers van een kronkelend riviertje naar een hoger gelegen terrein. Hier zijn ze gebleven omdat het terrein door de hoge ligging prima verdedigd kon worden tegen vijandige Germaanse stammen, zo is te lezen. Bovendien was het er goed toeven. ‘De lucht was doortrokken van de heerlijke geuren van dennen, berken en de kruidige lucht van kamperfoeli. De zon ging onder in de schitterende kleurenpracht van de moerassen.’ Deze paradijselijk omschrijving blijkt van toepassing te zijn op het grondgebied van het huidige Rijsbergen. Aanvankelijk werd deze nederzetting Risbecca genoemd, zo stelt de medewerker van Vaderland. Deze naam is volgens hem toegekend door een volk dat zich acht eeuwen na de aankomst van Sempronius en Elhaire in het gebied heeft gevestigd. Deze mensen hadden overigens niets meer met de Romeinse krijger te maken. Sempronius is enkele jaren na zijn aankomst in het voormalige Rijsbergen naar onbekende bestemming vertrokken, zo leert het verhaal. Elhaire is na een lang en gelukkig leven bijgezet in een urnenveld aan het rand van de nederzetting. De nazaten van Sempronius en Elhaire hebben volgens de verhalenschrijver zo’n honderdvijftig tot tweehonderd jaar in volle tevredenheid in het gebied gewoond. Hun geluk werd wreed verstoord door krijgers die zich Franken noemde. De bevolking werd uitgemoord en de nederzetting vernield. Het gebied is vervolgens acht eeuwen onbewoond gebleven. De nieuwe bewoners spraken een andere taal en het kronkelende riviertje kreeg een naam; De Weerijs. Het dorpje dat werd gesticht noemde zij Risbecca. Volgens het artikel is in deze tijd ook de naam Tiggelberg ontstaan. Toen de bewoners het land gingen bewerken stuitte ze ter hoogte van het gehucht Tiggeltscheberg op stenen en dakpannen (tegels, in dialect tiggels). In dit gebied is in 1812 een vermoedelijk Romeinse altaarsteen opgegraven. Deze steen wordt nog altijd met nevelen omhult. Het bevat de tekst ‘deae sandraudigae cultores tempili’, wat erop zou duiden dat het altaar aan de godin Sandraudiga was gewijd. Over deze godin is bijzonder weinig bekend. Er wordt wel beweerd dat Sandraudiga de godin zou zijn van het zandland. Andere menen weer dat deze interpretatie op drijfzand berust. Dit geldt overigens ook voor de bewering dat de naam Zundert van Sandraudiga is afgeleid. Deze bijzondere steen is ondergebracht in het oudheidkundig museum in Leiden.
Klik hier voor een inkijk in het oorspronkelijke artikel "Dea Sandraudiga" in het tijdschrift Het Vaderland.
|
|
Laatst aangepast op zondag, 29 augustus 2010 15:42 |